Hij hield een washandje in zijn hand.
Hij waste voorzichtig Armands handen.
Niet zoals een zoon die zich haast om zijn plicht te vervullen.
Als een man die zonder woorden om vergeving vraagt.
Ik stond in de deuropening.
Deze keer hield niemand me tegen om naar binnen te gaan.
Mathieu draaide zich om.
“Je mag binnenkomen als je wilt.”
Ik ging naar binnen.
Armand keek ons allebei aan.
Zijn ogen waren minder zwaar.
Niet genezen.
Maar minder eenzaam.
Een paar maanden later keerden we terug naar Lyon.
Op de begraafplaats van Loyasse heb ik een witte roos op het graf van mijn moeder gelegd.
Vlakbij vroeg Armand aan Mathieu om een klein tabletje uit zijn tas te halen.
Hij kon niet spreken.