Ik hoorde een doffe klap aan het einde van de gang.
Ik sloop dichterbij en vergat even dat ik aan het winkelen was. “Rowan, gaat het wel goed met je?”
Er viel een stilte. Toen klonk er van achter de slaapkamerdeur: “Het gaat goed met me, Mik. Kom niet binnen.”
De deur was gesloten.
Ik bleef hem slaan. “Rowan, doe je mond open, alsjeblieft. Je ziet er gewond uit.”
Hij antwoordde, maar zijn woorden waren gebroken en hij stokte. “Even, even wachten, schatje. Ik zei toch dat het goed met me ging.”
Ik leunde met mijn voorhoofd tegen de deur en probeerde te luisteren. Ik hoorde hem tasten, trekken en zachtjes vloeken tussen zijn tanden.
“Rowan, doe je mond open, alsjeblieft. Je ziet er gewond uit.”
‘Rowan, ik meen het. Ik kom binnen,’ waarschuwde ik, terwijl ik in de la in de hal naar de noodsleutel zocht. Met moeite opende ik de deur.
Op dat moment hoorde ik de deur opengaan en de hakken van mijn moeder op de tegelvloer tikken.
“Mikayla? Ik heb de ziti meegenomen! En Rowan… Wacht, wat is er aan de hand?”
Ik gaf geen antwoord. Ik opende de deur van de kamer. Mama volgde, met een ovenschotel in haar hand en grote ogen.
Wat ik zag, deed me meteen schrikken.
Ik hoorde de voordeur opengaan.